Het is ons uitgestelde loon!

Gevolgen van pensioenakkoord voor gepensioneerden.
Advies bureau Confident
Gevolgen pensioenakkoord door Confidentpdf (1.87MB)
Gevolgen van pensioenakkoord voor gepensioneerden.
Advies bureau Confident
Gevolgen pensioenakkoord door Confidentpdf (1.87MB)

Verdwijnt de koopkracht voor gepensioneerden met het pensioenakkoord?


Update van ons rapport
“Biedt het pensioenakkoord ook een koopkrachtig pensioen voor gepensioneerden”
van 18 juni 2020.
Actuarieel Adviesbureau Confident B.V.
Duwboot 5
3991 CD Houten
www.ConfidentBV.nl
www.UwPensioenInzicht.nl 2-7-2020

2-7-2020
Inhoudsopgave
1 Samenvatting 3
2 Inleiding 4
3 Het pensioenakkoord 5
4 Het Financieel Toetsingskader 6
5 Uitkomsten 7
          5.1 Pensioenakkoord 2020 versus het huidige contract 7
          5.2 Pensioenakkoord 2020 versus alternatieven 8
6 Conclusies en aanbevelingen 9
    Bijlage 1 Uitgangspunten pensioenakkoord 11
    Bijlage 2 Toelichting grafieken 12
    Bijlage 3 Gebruikte modellen en uitgangspunten 14
    Bijlage 4 Vergelijking FTK met Pensioenakkoord 2020 15
    Bijlage 5 Vergelijking FTK met Pensioenakkoord 2019 17
    Bijlage 6 Vergelijking gedempte vs zuivere kostendekkende premie 19

2-7-2020
1 Samenvatting
Op verzoek van Stichting Pensioenbehoud hebben wij onderzocht wat de gevolgen zijn van het pensioenakkoord voor gepensioneerden. Dit rapport is een update van ons rapport van 18 juni 2020. Deze update is gemaakt in verband met het verschijnen van de Hoofdlijnennotitie uitwerking pensioenakkoord van 22 juni en de notitie “Nieuwe pensioenregels” van het CPB. In deze notities staat veel informatie over de uitwerking en de achtergronden van het pensioenakkoord. Informatie uit deze twee documenten is verwerkt in dit rapport.
De gevolgen van het pensioenakkoord hebben we onderzocht door de ontwikkeling van een ingegaan pensioen onder het huidige systeem te vergelijken met de ontwikkeling van datzelfde pensioen onder het pensioenakkoord. Dit hebben we gedaan aan de hand van twee pensioenfondsen.
In de Hoofdlijnennotitie staat dat het pensioenstelsel moet worden aangepast omdat “pensioenen van veel pensioengerechtigden, en de aanspraken van nog meer deelnemers, sinds 2009 niet of nauwelijks zijn verhoogd”. Als eerste doel van het nieuwe pensioenstelsel staat vermeld: “Het nieuwe pensioenstelsel moet eerder perspectief bieden op een koopkrachtig pensioen. In goede tijden gaan pensioenen eerder omhoog, maar in slechte tijden ook eerder omlaag”. In dit rapport is daarom onderzocht in hoeverre koopkrachtbehoud door het pensioenakkoord wordt waargemaakt.
Uit het onderzoek komen een paar opvallende zaken naar voren:
- Het is vreemd dat het nieuwe pensioencontract als packagedeal wordt aangeboden en niet zelfstandig behandeld wordt.
- Koopkrachtbehoud, oftewel verhoging gelijk aan de stijging van de prijzen, wordt de komende 10 jaar niet gerealiseerd, zelfs niet in een optimistisch economisch scenario.
- De verbetering voor een fonds vergelijkbaar met het ABP ligt de komende 20 jaar op ongeveer 0,4% per jaar, terwijl dat voor een fonds vergelijkbaar met PMT verwaarloosbaar is. Hiermee wordt de doelstelling van koopkrachtbehoud ook op de lange termijn niet gehaald.
- Het pensioen van de gepensioneerden wordt veel stabieler en stijgt daardoor minder hard. De stabiliteit op zich is wel wenselijk, maar is niet in overeenstemming met de doelen van het pensioenakkoord.
- Het pensioenakkoord van 2019 biedt meer koopkrachtbehoud voor gepensioneerden dan het huidige voorstel. De gepensioneerden betalen in het pensioenakkoord van 2020 een groot deel van de compensatie voor de afschaffing van de doorsneesystematiek.
Alhoewel de titel “Hoofdlijnennotitie uitwerking pensioenakkoord” doet vermoeden dat het pensioenakkoord al in zijn geheel is uitgewerkt, moeten een aantal belangrijke keuzes nog gemaakt worden en worden andere keuzes aan de sociale partners overgelaten. Ook zijn er een aantal tegenstrijdigheden tussen de verschillende documenten. Dit alles betekent dat een uitwerking van het pensioenakkoord per definitie een interpretatie is van deze documenten en de keuzes die een pensioenfonds straks moet maken. Ook juridisch zijn nog niet alle vragen opgelost.

2-7-2020
2 Inleiding
Vrijdag 12 juni 2020 is bekend gemaakt dat er een nieuw pensioenakkoord is. Op 21 en 22 juni zijn de berekeningen van het CPB en de uitwerking van de stuurgroep van het pensioenakkoord gepubliceerd. In deze documenten en de daarbij behorende bijlagen staan meer details over de werking van het pensioenakkoord, de uitkomsten van de berekeningen en onderbouwing daarvan. Alhoewel deze documenten meer helderheid geven over het pensioenakkoord, is deze informatie nog lang niet compleet. Voor partijen die moeten instemmen met het pensioenakkoord, is deze informatie onvoldoende. Zo ontbreekt bijvoorbeeld inzicht in de mate waarin de koopkrachtdoelstelling van het pensioenakkoord wordt gerealiseerd.
De Stichting Pensioenbehoud heeft gevraagd om voor 3 juli de gevolgen van het pensioenakkoord voor gepensioneerden te laten zien.
Dit inzicht kunnen wij bieden door de ontwikkeling van de pensioenuitkering als gevolg van verhogingen (indexaties) en kortingen te laten zien voor zowel het pensioenakkoord, als voor het huidige contract. Hierdoor kan dus enerzijds beoordeeld worden of het nieuwe contract beter is dan het huidige contract en anderzijds of de doelstelling van een koopkrachtig pensioen behaald kan worden.
Daarnaast is het interessant om te weten of het pensioenakkoord van 2020 een verbetering is ten opzichte van het pensioenakkoord van 2019 en of er eenvoudigere alternatieven zijn.
Om concreet invulling aan de vraag te geven, hebben we deze berekening gemaakt voor twee pensioenfondsen die qua financiële positie, indexatiebeleid, beleggingsbeleid en bestandssamenstelling sterke gelijkenissen vertonen met het ABP en PMT.
De vergelijking maken we zowel voor het nominale pensioen, alsook voor het reële pensioen. De ontwikkeling van het nominale pensioen maakt vooral kortingen zichtbaar, terwijl de ontwikkeling van het reële pensioen duidelijk maakt of, dan wel wanneer de indexatiedoelstelling wordt gehaald. Gegeven de doelstelling van het pensioenakkoord is de ontwikkeling van het reële pensioen de meest voor de hand liggende maatstaf.
De Hoofdlijnennotitie en de notitie Nieuwe pensioenregels van het CPB bevatten veel nieuwe informatie. Toch zijn veel details nog niet bekend en zijn een aantal belangrijke keuzes nog niet gemaakt. Dit speelt bijvoorbeeld een rol bij het invaren. Waar nodig hebben we informatie gebruikt uit eerdere rapporten of presentaties van het CPB of de DNB, dan wel informatie die onderhandelingspartners bekend hebben gemaakt.

2-7-2020
3 Het pensioenakkoord
Het pensioenakkoord betreft meer dan alleen het nieuwe pensioencontract. Naast het nieuwe pensioencontract gaat het pensioenakkoord ook over de AOW-leeftijd, duurzame inzetbaarheid, ZZP’ers, het nabestaandenpensioen en meer keuzemogelijkheden. Het pensioenakkoord is hiermee een packagedeal en de vraag is of dat bij zo’n belangrijk onderwerp een goede keuze is. Gezien de omvang van het pensioenvermogen, de hoogte van de pensioenuitkeringen en de hoogte van de pensioenpremies, verdient het nieuwe pensioencontract een behandeling los van de andere onderwerpen.
In het pensioenakkoord van 12 juni 2020 staan twee doelen genoemd die voor de gepensioneerden van belang zijn. Het eerste is dat het nieuwe pensioencontract eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen moet bieden, wat ook betekent dat pensioen directer meebeweegt met de economie. Het tweede doel is dat het pensioen transparanter moet zijn.
Het pensioenakkoord is door ons op deze twee doelstellingen beoordeeld.
Bij het nieuwe pensioencontract wordt de doorsneesystematiek losgelaten. Dit betekent dat medewerkers van 35 jaar en ouder op dit punt gecompenseerd moeten worden. De kosten van deze compensatie zijn eerder geschat op 100 miljard euro en later op 60 miljard euro, toen zo’n 4% van het pensioenvermogen. In het pensioenakkoord is afgesproken dat deze medewerkers kostenneutraal gecompenseerd gaan worden. Kostenneutraal wil zeggen dat deze compensatie niet uit de premie, maar uit het pensioenvermogen wordt betaald. De kosten worden dus gedragen door de gepensioneerden en de (gewezen) deelnemers, inclusief de te compenseren werknemers zelf.
In het huidige systeem zou dit waarschijnlijk een niet toegestane vorm van premiekorting zijn.
Om de beloofde compensatie te kunnen bieden is het nodig dat iedereen overgaat naar het nieuwe systeem, het zogenaamde invaren. Bij de overgang wordt afgeweken van de normale regels die gelden bij individuele waardeoverdrachten. Om dit uit te kunnen voeren zal de wet aangepast moeten worden.
In elk geval is duidelijk dat toekomstige verhogingen (indexaties) van deelnemers als compensatie gezien worden. Deze verhogingen worden deels gerealiseerd door meer rendement toe te kennen aan werknemers en minder rendement toe te kennen aan de gepensioneerden. Die krijgen hierdoor weliswaar een stabieler maar ook een lager pensioen dan bij het huidige systeem waarin rendementen meestal gelijk verdeeld worden.
Hiermee is het onwaarschijnlijk dat iedereen erop vooruitgaat en is het de vraag of het pensioenakkoord genoeg voordelen biedt om de nadelen te compenseren.

2-7-2020
4 Het Financieel Toetsingskader
Op het huidige pensioencontract is het FTK van toepassing. FTK staat voor “Financieel Toetsingskader”. Alhoewel “flexibel toetsingskader” een betere naam zou zijn geweest, omdat vaak als er op grond van het FTK grootschalige kortingen of premieverhogingen dreigden, het FTK werd aangepast. Het FTK werd hiermee een inconsistent toetsingskader dat niemand wilde handhaven en dat daarmee zijn geloofwaardigheid kwijtraakte.
Daarnaast is het FTK een nominaal toetsingskader. Het ziet dus slechts toe op het nominale deel, ongeveer 60% van het beoogde pensioen, terwijl de indexatie, ongeveer 40% van het beoogde pensioen, niet of nauwelijks aandacht krijgt.
Of je nu vindt dat het huidige kader niet streng genoeg wordt toegepast of dat het huidige systeem juist verantwoorde indexatie in de weg staat en onnodige kortingen in de hand werkt, doormodderen op de huidige wijze is sowieso voor niemand een gewenst alternatief.

2-7-2020
5 Uitkomsten
In dit hoofdstuk vergelijken we de ontwikkeling van het pensioen van een gepensioneerde in het nieuwe pensioencontract met de ontwikkeling bij het huidige contract.
Het pensioenakkoord kent verschillende effecten.
Om medewerkers voldoende te kunnen compenseren voor de afschaffing van de doorsneesystematiek moeten de rendementen anders verdeeld worden. Deze nieuwe verdeelregels komen vooral ten laste van de gepensioneerden. Het invaren van alle opgebouwde pensioenen is nodig om voldoende compensatie te kunnen bieden. Hiertegenover staat dat het afschaffen van de gedempte kostendekkende premie voor alle opgebouwde pensioenen een verbetering is.
De buffers worden slechts gedeeltelijk losgelaten. In het oude systeem werd gestreefd naar ongeveer 25%, in het nieuwe systeem wordt dat maximaal 15%. Dat is wel een verlaging, maar verdwijnen doen ze zeker niet. Eerder indexeren is vooral een verschuiving in de tijd en is dus gunstig voor gepensioneerden. Hiertegenover staat dat gepensioneerden minder gaan delen in toekomstige rendementen. Het resultaat van al deze effecten vindt u in de onderstaande paragrafen.
Meer informatie over de modellering van de pensioenfondsen, de invulling van het pensioenakkoord en de economische scenario’s staat vermeld in de bijlagen 1 en 3.
In de bijlagen 4, 5 en 6 vindt u de uitkomsten van onze berekeningen in grafieken. Een toelichting op deze grafieken en de conclusies die u hieruit kunt trekken staat in bijlage 2.
5.1 Pensioenakkoord 2020 versus het huidige contract
Uit de berekeningen blijkt dat het verwachte pensioenresultaat bij het fonds gemodelleerd naar het ABP over 20 jaar ongeveer 9% meer pensioen oplevert dan het huidige systeem. Dat is gemiddeld een verbetering van ruim 0,4% per jaar. Bij PMT wisselen de jaren met een beter en een slechter resultaat elkaar af. Of het pensioen voor gepensioneerden in het verwachte scenario beter wordt, hangt dus af van het pensioenfonds.
Bij beide pensioenfondsen wordt de doelstelling van een koopkrachtig pensioen bij lange na niet gehaald. Een koopkrachtverlies van rond de 12% bij het ABP en 18% bij PMT in de komende 20 jaar liggen meer voor de hand.
Omdat de toekomst onzeker is, hebben we niet alleen het verwachte pensioenresultaat berekend, maar ook het pensioen in een optimistisch en pessimistisch scenario. De kans dat het pensioen beter wordt dan in het optimistische scenario is kleiner dan 5%. Ook de kans dat het pensioen slechter wordt dan in het pessimistische scenario is kleiner dan 5%. De kans dat het werkelijke pensioen tussen het optimistische en pessimistische scenario in komt, is dus 100% - 5% - 5% = 90%.
Bij het pensioenakkoord wordt het pensioen in het optimistische scenario tientallen procenten lager, terwijl het pensioen in een pessimistisch scenario tientallen procenten hoger wordt.

2-7-2020
Oftewel: minder voordeel als het goed gaat en minder nadeel als het slecht gaat. De positieve en negatieve uitschieters komen dus aanzienlijk dichter bij elkaar te liggen. Het pensioenakkoord van 2020 leidt dus voor gepensioneerden tot een veel stabieler pensioen.
Bij het pensioenakkoord is afgesproken dat het pensioenstelsel eerder perspectief moet bieden op een koopkrachtig pensioen. In goede tijden gaan de pensioenen eerder omhoog, maar in slechte tijden ook eerder omlaag. Het resultaat voor de gepensioneerden is dat hun pensioen niet koopkrachtiger wordt maar wel stabieler. Dit is precies het omgekeerde van wat het pensioenakkoord heeft beoogd.
Veel pensioenfondsen hebben nu een indexatieambitie gelijk aan de prijsinflatie. Als er extra geld over is, wordt dit vaak gebruikt voor inhaalindexatie, dat is een compensatie voor gemiste indexatie uit het verleden. Daarnaast kennen sommige fondsen, zoals PMT, nog extra indexatie, voor als er na de inhaalindexatie nog geld over is. ABP kent deze extra indexatie niet. Dit verklaart waarom de lijn in het optimistisch scenario bij het ABP stopt bij bijna 120%, terwijl die bij PMT verder oploopt. In het nieuwe stelsel is de extra indexatie de default. Dit lijkt een verbetering, maar ook in het optimistische scenario levert dat voor de gepensioneerden in de komende 20 jaar geen voordeel op.
5.2 Pensioenakkoord 2020 versus alternatieven
Om het pensioenakkoord van 2020 te beoordelen, kunnen we de uitkomsten ook vergelijken met alternatieven. Voor dit onderzoek zijn de uitkomsten vergeleken met het contract met open spreiding uit het pensioenakkoord van 2019 en het huidige contract met een zuivere kostendekkende premie, dus zonder gedempte premie.
In beide varianten is het verwachte pensioenresultaat voor gepensioneerden beduidend beter dan bij het pensioenakkoord van 2020. Over een termijn van 20 jaar scheelt dit ongeveer ruim 6% bij het ABP en ongeveer 15% bij PMT.
Bij beide alternatieven wordt in het optimistische scenario de indexatieambitie ruimschoots gehaald. In geen enkel alternatief wordt in het verwachte scenario structureel een koopkrachtig pensioen gerealiseerd. Al komt PMT bij het pensioenakkoord van 2019 daar wel heel dicht bij in de buurt.
De pensioenresultaten in beide varianten liggen ook bij de optimistische en pessimistische varianten boven die van het huidige contract. Dit is logisch omdat beide contracten verbeteringen kennen in de premie, zonder dat de lasten van compensatie uit het pensioenvermogen worden gehaald.
De spreiding bij deze alternatieven is vergelijkbaar met die van het huidige contract en dus groter dan die van het pensioenakkoord van 2019.
Waarom heeft de stuurgroep dan niet voor een van deze varianten gekozen? De belangrijkste reden daarvoor is dat in deze alternatieven geen kostenneutrale compensatie voor de afschaffing van de doorsneesystematiek kan worden geboden. Dit is echter een argument waar de gepensioneerden en de gewezen deelnemers geen baat bij hebben.

2-7-2020
6 Conclusies en aanbevelingen
De keuze om wel of niet in te stemmen met het pensioenakkoord hangt van meer af dan alleen het verwachte pensioenresultaat voor gepensioneerden. Zaken als de AOW-leeftijd, eerder uittreden bij zware beroepen, pensioenmogelijkheden voor ZZP’ers en niet of minder korten begin 2021 zijn ook van belang. Het feit dat deze echter als packagedeal worden aangeboden, zegt natuurlijk wel iets over de kansen van het nieuwe pensioencontract wanneer dat apart zou worden aangeboden.
Voor de gepensioneerden bieden deze andere zaken geen voordeel. Voor hen is het nieuwe pensioencontract als zelfstandig onderdeel van belang.
Beter zou het zijn als het nieuwe pensioencontract alleen in combinatie met het niet of minder korten begin 2021 zou worden aangeboden. Dan zouden de ruim 3 miljoen gepensioneerden die geen baat hebben bij de andere punten van het pensioenakkoord de stemming met meer vertrouwen tegemoet kunnen zien.
Twee doelstellingen van het pensioenakkoord zijn een pensioen dat eerder perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen en daardoor volatieler is en een pensioen dat transparanter is.
Als met de eerste doelstelling bedoeld wordt een pensioen dat meegroeit met de inflatie, dan wordt deze doelstelling met dit pensioenakkoord niet gehaald. Dat zal niet het geval zijn bij het verwachte scenario, maar in de komende 12 jaar ook niet in het optimistische scenario. Bij de eerste doelstelling hoort de beperking dat het pensioen volatieler wordt. Ook dit doel wordt niet waargemaakt. Al zullen weinig gepensioneerden dat een bezwaar vinden.
De tweede doelstelling van het pensioenakkoord is een stelsel dat transparanter is. Ook deze doelstelling wordt niet waargemaakt. De leeftijdsafhankelijke verdeling van het beleggingsrendement, de invloed van de collectieve solidariteitsreserve, de introductie van verschillende projectierendementen en de introductie van leeftijdsafhankelijke beschermingsrendementen maken het nieuwe stelsel ingewikkelder dan het huidige stelsel. En daarbij is nog geen rekening gehouden met de verdeling van bijvoorbeeld sterfteresultaten en de communicatie daarover.
Uit de doorrekening van de alternatieven blijkt dat er alternatieven mogelijk zijn die een beter pensioenresultaat voor de gepensioneerden opleveren. Ook zonder dat dit ten koste hoeft te gaan van de (gewezen) deelnemers.
Recent heeft de DNB nog gewaarschuwd dat veel herstelplannen gebaseerd zijn op de verwachte rendementen die maximaal zijn toegestaan en dat deze rendementen in het verleden veelal niet gehaald zijn. Ook de berekeningen van het pensioenakkoord zijn gebaseerd op vergelijkbare rendementen. Als deze rendementen, net als bij de herstelplannen, niet gehaald worden, komt de pijn extra hard bij de deelnemers terecht. Extra hard omdat ook de solidariteit tussen generaties in het pensioenakkoord verlaagd is.
Als het goed is, is het pensioenakkoord ook juridisch goed uitgezocht. Dit is in ieder geval gebeurd voor de houdbaarheid van de verplichtstelling. Andere kwesties, zoals rond premiekorting, onteigening als gevolg van invaren, het weghalen van indexatieperspectief bij

2-7-2020
gepensioneerden en de toetsing aan IORP 2 (waaronder overweging 17) zullen de komende tijd nog aandacht vragen.

2-7-2020
Bijlage 1 Uitgangspunten pensioenakkoord
Aan onze berekening van het pensioenresultaat liggen de volgende uitgangspunten ten grondslag:
- De premie heeft een opslag van 10% voor de collectieve solidariteitsreserve. De rest van de premie komt ten goede aan de deelnemer en is daarmee kostendekkend, dus zonder demping.
- 10% van het positieve rendement komt ten goede aan de collectieve solidariteitsreserve.
- De collectieve solidariteitsreserve is maximaal 15% en kan niet negatief worden.
- In jaren met een negatief resultaat wordt er geld uit de collectieve solidariteitsreserve opgenomen.
- De collectieve solidariteitsreserve wordt niet gebruikt voor compensatie.
- Bij invaren wordt gebruikgemaakt van de standaardmethode en het daarbij passende projectierendement.
- Van de vrijval is 4% voor de compensatie voor het afstappen van de doorsneesystematiek.
- Te verdelen resultaten worden uitgesmeerd over 10 jaar.
- Gepensioneerden krijgen een kleiner deel van het resultaat dan de (gewezen) deelnemers. Voor gepensioneerden is dit ongeveer 35% van het overrendement. Voor (gewezen) deelnemers is dit leeftijdsafhankelijk.
- …

2-7-2020
Bijlage 2 Toelichting grafieken
Vanaf bijlage 4 staan de uitkomsten van onze berekeningen in grafieken weergegeven. Per berekening is er een reële en een nominale grafiek. De nominale grafiek laat de ontwikkeling van het pensioen in euro’s zien. De reële grafiek toont de ontwikkeling in koopkracht van het pensioen.
In de onderstaande grafiek wordt de reële ontwikkeling getoond voor de vergelijking van het pensioenresultaat onder het huidige systeem (FTK) in de zwarte lijnen en onder het pensioenakkoord van 2020 in de blauwe lijnen. Een gelijkblijvend pensioen betekent hier koopkrachtbehoud.
We doen dat voor drie economische scenario’s.
De doorgetrokken lijnen geven de uitkomst in de optimistische scenario’s, de gestreepte lijnen in de verwachte scenario’s en de gestippelde lijnen in de pessimistische scenario’s.
Als een lijn daalt, dan daalt de koopkracht. Als een lijn stijgt, dan stijgt de koopkracht en als een lijn horizontaal loopt, dan blijft de koopkracht gelijk. Zolang een lijn onder de 1,00 zit, is er sprake van koopkrachtverlies ten opzichte van het jaar 2020.
In deze grafiek is ook goed te zien dat het ABP geen extra indexatie kent. Het pensioenresultaat is in het optimistische scenario gemaximeerd op de indexatieachterstand. Dit levert ten opzichte van het pessimistische scenario een scheve risicoverdeling op.
Om het pensioenakkoord te vergelijken met het huidige systeem kunnen de doorgetrokken, gestreepte en gestippelde lijnen met elkaar vergeleken worden. In dit geval is het pensioenakkoord beter in het verwachte en pessimistische scenario, maar slechter in het optimistische scenario. In 2028 zijn de verschillen al groot. 20% in het optimistische scenario en -20% in het pessimistische scenario.

2-7-2020
In de onderstaande grafiek staan de uitkomsten voor het nominale pensioenresultaat. Een gelijkblijvend pensioenresultaat betekent hier eenzelfde bedrag in euro’s en dus koopkrachtverlies.
De kleuren, doorgetrokken, gestreepte en gestippelde lijnen hebben hier dezelfde betekenis als in de grafiek op de vorige pagina.
De interpretatie van de lijnen is echter anders.
Een stijgende lijn betekent hier dat het bedrag in euro’s wordt verhoogd. Dit zegt echter niet of dat voldoende is voor koopkrachtbehoud. Een dalende lijn zegt dat het pensioen wordt gekort. Als een lijn horizontaal loopt, dan wordt er niet verhoogd en niet gekort. De koopkracht gaat in dat geval wel achteruit.
Beide grafieken dienen hetzelfde doel, namelijk het beoordelen van de ontwikkeling van de koopkracht van twee systemen. Om echter te beoordelen of de doelstelling van een koopkrachtig pensioen gehaald wordt, is de eerste, de reële grafiek het handigst, terwijl voor de beoordeling van een eventuele (kans op) korting de tweede grafiek de meeste informatie geeft.
Op veel plaatsen wordt vooral gefocust op het voorkomen van kortingen. Dit is zeker belangrijk. Maar om te beoordelen of een pensioen ook een goed pensioen is, is niet korten niet voldoende. Dan moet ook het koopkrachtbehoud over 20 jaar beoordeeld worden.

2-7-2020
Bijlage 3 Gebruikte modellen en uitgangspunten
Voor de berekeningen hebben we gebruikgemaakt van dezelfde rekenmodellen die ook wettelijk voorgeschreven zijn voor de berekeningen van het pensioen in scenario’s op mijnpensioenoverzicht.nl en voor de berekeningen van de haalbaarheidstoetsen van pensioenfondsen.
Voor de economische scenario’s zijn we uitgegaan van de scenarioset van DNB van het tweede kwartaal, die bedoeld is voor de bovengenoemde berekeningen van het pensioen in scenario’s en voor de haalbaarheidstoets.
Het belangrijkste nadeel van deze scenarioset is dat de veronderstelde rente na één jaar flink stijgt. Hierdoor wordt de berekende kans op korting na één jaar veel kleiner dan je op grond van de huidige dekkingsgraden zou verwachten. Aan de andere kant is dit wel consequent in alle berekeningen gebruikt en sluit het effect hiervan goed aan bij de gedachte dat de politieke partijen geen massale korting willen vlak voor de verkiezingen.
Voor de berekening van het pensioen van de twee voorbeeld pensioenfondsen zijn we uitgegaan van publieke informatie, zoals jaarverslagen, pensioenreglementen, het beleggings- indexatie- en premiebeleid zoals omschreven in de ABTN, informatie van de websites van de pensioenfondsen zelf en informatie van de website van DNB. De uitkomsten zijn niet met deze fondsen afgestemd.
Voor zover hierdoor afwijkingen ontstaan, werken deze meestal door aan beide kanten van de vergelijking. De conclusies met betrekking tot de pensioensystemen worden hierdoor beperkt beïnvloed.
Het pensioenakkoord kent nog een aantal onzekerheden. Ook kent het pensioenakkoord op een aantal punten keuzevrijheid toe aan pensioenfondsen, zoals bijvoorbeeld bij invaren en de verdeling van de collectieve solidariteitsreserve. Deze keuzes zijn door de pensioenfondsen nog niet gemaakt, maar kunnen de uitkomsten wel beïnvloeden.
Ook de keuze van de economische scenario’s is van invloed uitkomsten. Deze economische scenario’s hebben meer invloed op de absolute uitkomsten, dan op de relatieve uitkomsten.
De relatieve uitkomsten zijn dus relatief betrouwbaar en zijn van belang voor de worden gebruikt voor de vergelijking van de verschillende pensioensystemen.
De absolute uitkomsten zijn vooral van belang zijn voor de beoordeling van de koopkrachtdoelstelling van het pensioen. De uitkomsten hiervan zijn echter dusdanig duidelijk dat andere realistische scenario’s niet tot andere conclusies leiden.

In de download versie hier boven zijn ook alle grafieken opgenomen!